Wrap N Care
voor draagconsulten en meer...

Hechtingstheorie

 

Ieder kind wordt geboren met het vermogen relaties aan te gaan met zijn verzorgers.
Je baby beschikt al over aardig wat vaardigheden om contact met je uit te lokken en deze aandacht vast te houden: aankijken, lachen, vastpakken, zuigen en huilen. Als ouders reageer je op deze signalen door contact terug te bieden.  Op deze manier wordt voor je baby veiligheid en bescherming gewaarborgd. Dit is belangrijk om te kunnen overleven. Zo ontstaat er een band tussen ouders en kind. Deze band wordt gehechtheid genoemd (Lambermon 1992).

Definitie:

''De geneigdheid in angstige situaties en bij vermoeidheid en ziekte de nabijheid van en het contact met een specifieke opvoeder te zoeken'' (Bowlby 1984).

 

Hechting is een proces van interactie tussen een kind en een of meer van zijn opvoeders, meestal de ouders, dat leidt tot een duurzame affectieve relatie. Hechting vindt plaats in de eerste levensjaren van het kind, de eerste vier jaren zijn cruciaal. Het is een belangrijk onderdeel van de ontwikkeling van een kind en medebepalend voor een gezonde vorming van zijn identiteit. 2/3e van de kinderen heeft een goede gehechtheid met zijn ouders of opvoeders.  Helaas zijn er gevallen waarin de hechting wordt verstoord en dat resulteert in onveilige gehechtheid. Naast de veilige gehechtheid worden drie andere typen gehechtheid onderscheiden: onveilig-vermijdend ,onveilig-ambivalent,  en gedesorganiseerd gehecht.

Vier typen hechting

 

Ainsworth (Ainsworth & Wittig 1969) heeft vier typen gehechtheid onderscheiden, die met een standaard observatieprocedure bij kinderen van 12 tot 20 maanden kunnen worden vastgesteld: de Vreemde-Situatieprocedure.

  • Type A: Onveilig-vermijdend gehechte kinderen. Deze kinderen hebben hun gehechtheid geminimaliseerd, omdat zij ervaren hebben dat de ouder relatief vaak afwijzend, zakelijk of weinig sensitief is. Ze negeren of vermijden de opvoeder en gedragen zich (prematuur) zelfstandig.
  • Type B: Veilig gehechte kinderen. Bij deze kinderen is er een goede balans tussen exploratiedrang en gehechtheidsgedrag. Kinderen durven nieuwe taken aan te gaan, zijn angstig wanneer de ouder uit het zicht is en zoeken toenadering bij terugkomst, waarna ze weer verder durven te exploreren. Ouders zijn sensitief, coöperatief en toegankelijk.  
  • Type C: Onveilig-afwerend gehechte kinderen. Deze kinderen zoeken juist heel veel toenadering bij de opvoeder en zijn weinig geneigd om zelfstandig activiteiten uit te voeren. De afwezigheid van de opvoeder leidt tot angst terwijl de terugkeer van de ouder begroet wordt met boosheid en verontwaardiging. De opvoeder is vaak inconsequent sensitief, onvoorspelbaar voor het kind en afwezig op cruciale momenten.  
  • Type D: Gedesorganiseerd gehechte kinderen. Bij deze kinderen is sprake van gedrag met kenmerken van hechtingstype A en C. Enerzijds zoeken zij toenadering tot de ouder, terwijl dat tegelijkertijd stress en angst oplevert. De omgang met de ouder is vaak inconsequent geweest en onvoorspelbaar terwijl ook vaak sprake is van trauma's of andere ingrijpende gebeurtenissen.

 

Veilig en onveilig gehecht

 

Hechting en gehechtheid worden beschreven in de gehechtheidstheorie van Bowlby. Voor een veilige hechting is het van belang dat de opvoeder gevoelig is voor de signalen van het kind (bijvoorbeeld door het te troosten wanneer het huilt), de autonomie van het kind respecteert, en steun en structuur biedt. De gehechtheid van een kind weerspiegelt in feite de opvoedingsgeschiedenis die het kind met zijn opvoeder heeft (Van IJzendoorn 2008). Het gedrag van kinderen laat zien of zij ervan uitgaan dat de opvoeder hun signalen zal opmerken en er zo nodig direct en adequaat op in zal gaan (veilig gehecht). Maar ze kunnen ook met hun gedrag aangeven dat ze dat juist niet doen (onveilig gehecht).

 

Of kinderen een veilige gehechtheidsrelatie kunnen opbouwen met hun ouders of verzorgers, hangt af van een samenspel van risico- en beschermende factoren. Een stabiele omgeving, waarin opvoeders met inlevingsvermogen reageren op de signalen van het kind, is daarbij van doorslaggevende betekenis (Van IJzendoorn, 2008). Andere belangrijke factoren zijn kenmerken van het kind, de opvoeder en gezins- en leefomstandigheden.

 Kenmerken van het kind

 

Een aantal kenmerken van het kind, zoals vroeggeboorte (prematuriteit), verstandelijke of lichamelijke beperkingen, autisme of een moeilijk temperament, kunnen de ontwikkeling van een veilige gehechtheidsrelatie tussen kind en opvoeders bemoeilijken. Dat komt vooral doordat het voor opvoeders moeilijker is om consequent sensitief en responsief te reageren op signalen van het kind. Dit geldt vooral wanneer er sprake is van ernstige afwijkingen bij het kind.
Beschermende factoren bij de opvoeders, zoals hoge sensitiviteit, kunnen de risicofactoren bij het kind vaak compenseren. Risicofactoren bij de ouders of verzorgers, zoals lage sensitiviteit, kunnen niet gecompenseerd worden door gunstige factoren bij het kind (Rigter, 2002; Van IJzendoorn, 2008).

 

Bronnen

 

www. NJI.nl

  • Atkinson, L., A. Paglia en J. Coolbear (2000), Attachment security: A meta-analysis of maternal mental health correlates, in: 'Clinical Psychology Review ', nummer 20, p.1019-1040.  
  • Baer, J. C.en C. Daly Martinez (2006), Child maltreatment and insecure attachment: a meta-analysis, in: 'Journal of Reproductive and Infant Psychology', nummer 24, p.87-197.  
  • Bakermans-Kranenburg, M.J., M.H. Van IJzendoorn en F. Juffer (2003). Less is more: Meta-analyses of sensitivity and attachment interventions in early childhood, in: 'Psychological Bulletin', nummer 129, p.195-215.  
  • Cyr, C., E.M. Euser, M.J. Bakermans-Kranenburg en M.H. Van IJzendoorn (2010), Attachment security and disorganization in maltreating and high-risk families: A series of meta-analyses, in: 'Development and Psychopathology', nummer 22, p.87-108.  
  • De Wolff, M.S. en M.H. Van IJzendoorn (1997), Sensitivity and attachment: A meta-analysis on parental antecedents of infant attachment, in: 'Child Development', nummer 68, p.571-591.  
  • Dienar, M.L., M.A. Nievar en C. Wright (2003), Attachment security among mothers and their young children living in poverty: Associations with maternal, child and contextual characteristics, in: 'Merrill-Palmer Quarterly','nummer 49, p.154-182.  
  • Juffer, F. (2010), 'Beslissingen over kinderen in problematische opvoedingssituaties '. Den Haag, Raad voor de Rechtspraak.  
  • Martins, C. en E.A. Gaffan (2000), Effects of early maternal depression on patterns of infant-mother attachment: A meta-analytic investigation, in: 'Journal of Child Psychology and Psychiatry', nummer 41, p.737-746.  
  • Rigter J. (2002), 'Ontwikkelingspathologie bij kinderen en jeugdigen'. Bussum, Uitgeverij Couthinho.  
  • Van den Dries, L., Juffer, F., Van IJzendoorn, M.H. & Bakermans-Kranenburg, M.J. (2009). Fostering security? A meta-analysis of attachment in adopted children, in: 'Children and Youth Services Review', nummer 31, p.410-421.  
  • Van IJzendoorn, M.H. (1995). Adult attachment representations, parental responsiveness, and infant attachment; a meta-analysis on the predictive validity of the Adult Attachment Interview, in: 'Psychological Bulletin', nummer 117, p.387-403.  
  • Van IJzendoorn, M.H. (2008), 'Opvoeding over de grens. Gehechtheid, trauma en veerkracht'. Amsterdam, Boom Academic.